Jolles & Ko Accountants
Vatko Tax Representation
Dig@Min
Home » Direct » Nieuws Fiscount

Fiscaal Nieuws

    23 oktober 2020 Opnamen uit BV belast

    Een DGA met een positief vermogen, maar zonder inkomen, wordt belast voor hoge consumptieve opnamen in rekening courant bij zijn BV.

    De schuld in rekening courant van een directeur aan zijn BV loopt in zes jaar op van bijna 1 miljoen naar bijna 1,7 miljoen euro, inclusief bijgeschreven rente. Er is geen schriftelijke overeenkomst, geen aflossingsschema en er zijn geen zekerheden gesteld. De opgenomen bedragen zijn gebruikt voor levensonderhoud. De Belastingdienst legt aanslagen op voor de jaarlijkse toename van de schuld.

    Financiële positie
    De DGA heeft een eigen woning en een tweede woning, samen waard € 703.000, en een bankschuld van € 127.000. Daarnaast heeft hij de aandelen in zijn BV, waard € 1.649.250 en een schuld aan zijn BV van € 1.678.000. Per saldo is dus sprake van een positief vermogen. Maar van inkomen is geen sprake.

    Terugbetaling niet aannemelijk
    De rechter vindt het aannemelijk dat de opgenomen bedragen niet meer zullen worden terugbetaald aan de BV. Ze zijn immers aangewend voor de betalingen voor het levensonderhoud en de belastingschulden. De rechtbank overweegt hierbij dat de DGA al een reeks van jaren op deze manier voorziet in zijn levensonderhoud. Een andere bron van inkomsten om in zijn levensonderhoud te voorzien ontbreekt. Bovendien heeft hij geen actie ondernomen om een van de onroerende zaken te verkopen of op andere wijze een aflossing op de rekening-courant te doen.

    Afboeking door belastingheffing over toename rekening courant
    De omstandigheid dat door de belastingheffing over de toename de rekening-courant voor dat deel kan worden afgeboekt, maakt dit niet anders. Die afboeking kan immers enkel door afboeking van de winstreserves en dat impliceert dat de gelden het vennootschapsvermogen definitief hebben verlaten.

    Mogelijke verkoop bezittingen BV
    De DGA voert aan dat de BV beschikt over een aandelenpakket dat verkocht kan worden. Ook dit acht de rechter niet relevant. De vermogenstoestand van de schuldeiser, de BV,  is immers niet relevant voor de beoordeling of de schuldenaar aan zijn verplichtingen kan of zal voldoen. Dat de DGA aandeelhouder is van de schuldeiser maakt dat niet anders.

    Bewustheid
    De rechter vindt aannemelijk dat de BV en de DGA zich bewust waren of dat hadden moeten zijn, dat de aldus door de BV verstrekte gelden niet meer zouden worden terugbetaald en zodoende definitief aan de vennootschap zijn onttrokken. De aanslagen zijn daarom terecht opgelegd.

    Let op: De Belastingdienst heeft veel aandacht voor toenemende schulden van de DGA aan de eigen BV. Adviseurs wijzen hun relaties daar regelmatig op. Terecht, zo blijkt ook weer uit deze uitspraak.

    23 oktober 2020 Veiligheidsmanager valt: werkgever aansprakelijk?

    De veiligheidsmanager krijgt een ongeval wegens een risicovolle situatie die zijn fout kan zijn: is de directeur van de werkgever aansprakelijk?

    Een ervaren projectleider, belast met toezicht op de veiligheid, valt door het dak van een loods doordat de valbeveiliging niet was aangebracht. Hij overlijdt. Zijn weduwe stelt de directeur van de inmiddels failliete werkgever persoonlijk aansprakelijk voor de schade. Hoe oordeelt de rechter?

    Toezicht op veiligheidsfunctionaris
    De rechter realiseert zich dat juist degene die op het project moest toezien op de veiligheid zelf het slachtoffer is geworden. De vraag is of en in hoeverre een werkgever moet toezien op de wijze waarop de veiligheidsfunctionaris zijn werkzaamheden uitvoert. In dit geval staat vast, gezien een onderzoek door de Arbeidsinspectie naar het ongeval, dat de werkgever is tekortgeschoten in de controle op die uitvoering. Daarmee heeft de werkgever niet aan zijn wettelijke zorgplicht voldaan. Maar de werkgever is inmiddels failliet.

    Persoonlijke aansprakelijkheid directeur
    Is de directeur zelf aansprakelijk op grond van een aan hem te maken ernstig verwijt wegens schending door werkgever van diens zorgplicht?

    Van een werkgever, die zijn werknemers risicovolle werkzaamheden laat verrichten, mag worden verwacht dat hij een deugdelijke aansprakelijkheidsverzekering afsluit. Daarmee wordt een dekkingsvoorziening getroffen voor het geval een risico zich verwezenlijkt en werkgever - bijvoorbeeld als gevolg van een faillissement – niet zelf kan voldoen aan zijn verplichting tot vergoeding van de schade.

    In dit geval heeft de werkgever de premies aan de verzekeringsmaatschappij niet tijdig betaald, met als gevolg dat de dekking is opgeschort. Dit levert volgens de rechter een ernstig persoonlijk verwijt aan de directeur op. Daarom is hij persoonlijk aansprakelijk voor de schade van de weduwe. De rechter acht het aannemelijk dat de weduwe tot in elk geval een bedrag van € 10.000 schade heeft geleden en wijst dat bedrag toe als voorschot. Er komt een vervolgprocedure waarin de totale schade wordt vastgesteld.

    Let op: U kunt als directeur van een werkgever persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor verplichtingen van die werkgever, als die werkgever daar door uw - achteraf verwijtbare - handelen, niet zelf aan kan voldoen.   

    23 oktober 2020 Verbouwing kantoorpand tot appartementen

    Is projectontwikkeling, waarbij de werkzaamheden geheel worden uitbesteed, een belegging of een fiscale onderneming ?

    Een ondernemer koopt met drie andere participanten een pand. Een deel financiert hij met een banklening. Ze laten een aannemer het pand verbouwen tot zestien appartementen. Ook vragen en krijgen ze een subsidie voor verbouwing van kantoorruimte naar woningen. De appartementen worden met winst verkocht, maar de ondernemer geeft de winst niet aan als inkomen in zijn aangifte inkomstenbelasting. Terecht?

    Samenwerkingsverband
    Volgens de rechter hebben partijen een transparant samenwerkingsverband gesloten. Het doel van dit samenwerkingsverband was het behalen van voordeel door het pand te ontwikkelen tot appartementen. Dit voordeel was ook redelijkerwijs te verwachten. De projectontwikkeling binnen dit samenwerkingsverband vormt een onderneming.

    Duurzaamheid
    Het was de bedoeling de projectontwikkeling binnen een bepaalde termijn af te ronden. Er waren geen concrete plannen om naast dit ontwikkelingsproject andere projecten aan te gaan. Dit betekent echter niet dat de voor een onderneming vereiste duurzaamheid ontbreekt. De tijd gemoeid met dit project, te weten enkele jaren, en 4 jaar tot de laatste subsidies werden uitbetaald, maakt dat dit ontwikkelingsproject voldoende duurzaamheid bezat om als onderneming aangemerkt te worden.

    Nauwelijks eigen werkzaamheden
    De werkzaamheden van de participanten gingen niet verder dan het inschatten van de kwade en goede kansen van het project en het zetten van handtekeningen. Toch merkt de rechter het aangaan van koop- en verkoopovereenkomsten, een aanneemovereenkomst en het aanvragen van een omgevingsvergunning en subsidies aan als beheersdaden binnen dit samenwerkingsverband.

    Winst uit onderneming
    Het zijn in ieder geval werkzaamheden die normaal actief vermogensbeheer te boven gaan. De participanten waren gerechtigd tot een aandeel in de winst die behaald werd met de onderneming van dit samenwerkingsverband. Het behaalde voordeel is belastbaar als winst uit onderneming.

    Let op: Projectontwikkeling kan leiden tot fiscaal ondernemerschap, ook al worden de feitelijke werkzaamheden geheel uitbesteed.

    23 oktober 2020 Aanzegvergoeding onredelijk?

    Werknemer met uitzicht op nieuwe baan claimt aanzegvergoeding. Is dat in strijd met de redelijkheid en billijkheid?

    Een magazijnbeheerster heeft een tijdelijk contract dat met een jaar wordt verlengd tot 1 april 2019. In de herfst van 2018 hoort ze van de directeur dat haar contract om financiële redenen na 31 maart 2019 niet verlengd zal worden. Ze gaat solliciteren en krijgt waarschijnlijk per 1 april 2019 elders een nieuwe baan. Toch claimt ze de wettelijke aanzegvergoeding. Kan dat, of is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid?

    Op advies van de FNV vraagt ze de directeur op 29 maart of ze per 1 april nog moet komen werken. Die laat haar een door hem getekende brief van 2 januari zien waarin staat dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd en van rechtswege per 31 maart 2019 zal eindigen. Ze heeft de datum op de brief (2 januari 2019) doorgestreept en met de hand daaronder de datum 31 maart 2019 geschreven. De werkgever kan niet bewijzen dat ze de brief eerder heeft ontvangen.

    Claim
    Op 30 april 2019 claimt ze bijna € 2.900 bruto aan wettelijke aanzegvergoeding. De werkgever reageert dat hij die niet gaat betalen omdat ze ervan op de hoogte was dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. Ze gaat naar de rechter.

    Kantonrechter
    Volgens de wet had de werkgever haar, op straffe van een aanzegvergoeding, minimaal één maand voor het aflopen van de arbeidsovereenkomst schriftelijk moeten laten weten of, en zo ja tegen welke voorwaarden, zij een nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden zou krijgen. Dat is niet gebeurd. De kantonrechter geeft haar ongelijk omdat toekenning van de aanzegvergoeding in deze situatie in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid. Ze gaat in hoger beroep.

    Hoger beroep bij gerechtshof
    De werkgever betoogt - en de kantonrechter heeft dit gevolgd - dat de verplichte aanzegging in dit geval niet aan de doelstelling van het wetsartikel kan beantwoorden en dat een vergoeding op grond van het wetsartikel daarom in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Deze specifieke omstandigheden zijn: (1) het feit dat de werkneemster in de herfst van 2018 mondeling is geïnformeerd dat haar contract om financiële redenen niet verlengd kan worden, hetgeen zij heeft erkend, (2) zij is gaan solliciteren naar een andere baan en (3) zij bij het einde van de arbeidsovereenkomst concreet zicht had op een nieuwe baan in die zin dat alleen het arbeidsvoorwaardengesprek en de medische keuring nog moesten plaatsvinden.

    Het gerechtshof acht het niet onredelijk dat de werkneemster recht heeft op de aanzegvergoeding.

    Als de rechter al mag afwijken van het dwingendrechtelijk voorgeschreven schriftelijkheidsvereiste, omdat het naleven ervan geen enkel doel kan dienen waartoe het artikel in het leven is geroepen, is daarvan naar het oordeel van het gerechtshof in dit geval geen sprake.

    Onduidelijkheid
    Bij het bedrijf waren meer ontslagen, maar een van de monteurs mocht toch blijven. Een andere magazijnmedewerkster kondigde haar vertrek aan. Zo kon bij de werkneemster de verwachting ontstaan dat zij zelf alsnog zou mogen blijven. Er was dus ruimte voor discussie rond de vraag of de werkneemster in de maand voorafgaand aan het einde van haar dienstverband precies wist waar ze aan toe was. Daarom kan niet worden vastgesteld dat een schriftelijke aanzegging in dit geval geen enkel doel zou hebben gediend. Het dwingend voorgeschreven vereiste van schriftelijkheid is immers juist bedoeld om mogelijke discussie achteraf te voorkomen.

    Aanzegbrief ontvangen?
    Vaststaat dat de brief van 2 januari waar de werkgever op 29 maart mee komt, niet aangetekend is verzonden. De werkneemster heeft betwist de brief van 2 januari 2019 op haar adres te hebben ontvangen. Dit betekent dat de werkgever dient te bewijzen dat de brief is aangekomen op haar adres. Daarin slaagt de werkgever niet.

    Sollicitatie, dus aanzegbrief ontvangen?
    Heeft de werkneemster ernaar gehandeld alsof ze begin januari 2019, dus tijdig, een aanzegbrief had ontvangen en heeft de werkgever daarop gerechtvaardigd mogen vertrouwen? Neen, uit het enkele feit dat de werkneemster een sollicitatieprocedure had lopen, mocht de werkgever dat niet afleiden, nu hij zelf in de herfst van 2018 mondeling heeft medegedeeld dat haar contract niet verlengd zou worden, zodat haar handelen evengoed op deze mededeling kan zijn gebaseerd.

    Tip: De wet is duidelijk, en wordt door rechters strikt toegepast. De werkgever is verplicht, bij een tijdelijk contract van 6 maanden of langer, uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt de werknemer schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Bij niet nakoming van deze verplichting is de werkgever een vergoeding aan de werknemer verschuldigd gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand.

    09 oktober 2020 Inschrijving UBO-register

    Valt uw bedrijf onder de registratieplicht en is het voor 27 september 2020 gestart, schrijf de UBO(‘s) van uw bedrijf dan in voor 27 maart 2022.

    Sinds 27 september 2020 moeten bedrijven en organisaties hun uiteindelijk belanghebbenden inschrijven in het UBO-register. UBO's zijn de mensen die de uiteindelijke eigenaar zijn van of zeggenschap hebben, zoals aandeelhouders van een BV of vennoten in een VOF. Wat betekent dit voor u?

    Verplichte inschrijving
    In het MKB gaat het vooral om BV’s, maatschappen, vennootschappen onder firma en commanditaire vennootschappen. Daarnaast geldt de inschrijvingsplicht voor niet-beursgenoteerde naamloze vennootschappen, stichtingen, verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, verenigingen met beperkte rechtsbevoegdheid maar met onderneming, onderlinge waarborgmaatschappijen, coöperaties, rederijen, Europese naamloze vennootschappen (SE), Europese coöperatieve vennootschappen (SCE), Europese economische samenwerkingsverbanden die volgens hun statuten hun zetel in Nederland hebben (EESV) en kerkgenootschappen.

    Geen verplichte inschrijving
    Eenmanszaken hoeven zich niet te registreren. Dat geldt ook voor beursgenoteerde besloten en naamloze vennootschappen, 100% dochters van beursgenoteerde vennootschappen, verenigingen van eigenaars, rechtspersonen in oprichting, verenigingen met beperkte rechtsbevoegdheid die geen onderneming drijven, publiekrechtelijke rechtspersonen en overige privaatrechtelijke rechtspersonen, waaronder historische rechtspersonen (zoals gilden en hofjes).

    Wie is UBO?
    Een UBO is altijd een natuurlijk persoon en elke organisatie heeft er minstens 1. Het gaat om de natuurlijke personen die meer dan 25% zeggenschap hebben en/of direct of indirect economisch belang hebben van meer dan 25%. Zijn deze personen er niet, dan gaat het om een persoon die behoort tot het hoger leidinggevend personeel (bij rechtspersonen de bestuurder).

    Wanneer inschrijven?
    Voor rechtspersonen en personenvennootschappen die op of na 27 september 2020 worden opgericht, meldt u de UBO’s aan bij de inschrijving in het Handelsregister. Bedrijven en  organisaties die vóór 27 september 2020 zijn opgericht, hebben achttien maanden de tijd om de UBO’s aan te melden bij de KvK. Niet op tijd melden is een economisch delict, waarop een boete staat en uiteindelijk zelfs gevangenisstraf.

    UBO-register deels openbaar
    Wettelijk is bepaald dat een deel van de UBO-gegevens openbaar is. Iedereen mag deze gegevens inzien. Het gaat om de volgende gegevens:

    • voor- en achternaam
    • geboortemaand en –jaar
    • nationaliteit
    • woonland
    • de aard en omvang van het belang

    Tip: Bestaat uw bedrijf op 27 september 2020 en valt het onder de registratieplicht, schrijf de UBO(‘s) dan in voor 27 maart 2022. Dat kan digitaal.