Jolles & Ko Accountants
Vatko Tax Representation
Dig@Min
Home » Deskundig » Diverse onderwerpen » Belastingplicht stichtingen

Belastingplicht stichtingen

Voor stichtingen zijn bijzondere regels opgenomen. Zij zijn onder bepaalde omstandigheden niet belastingplichtig. Welke omstandigheden dat zijn is afhankelijk van de desbetreffende wet.

Vennootschapsbelasting
Stichtingen zijn belastingplichtig indien en voor zover zij een onderneming drijven en voor zover zij niet in concurrentie treden met belaste ondernemingen.
Daarnaast is er een uitzondering voor goeddoelichamen (art. 6). Om hiervoor is aanmerking te komen moet er een algemeen maatschappelijk belang behartigd worden en moet het streven naar winst ontbreken danwel van bijkomstige aard zijn. Het is ook toegestaan dat de stichting een sociaal belang behartigd waarbij het streven naar winst ontbreekt danwel van bijkomstige aard is maar dan moet de winst worden behaald met behulp van vrijwilligers.
Gelukkig is de term "ontbreken van winststreven of van bijkomstige aard" nader gedefinieerd. Hiervan is sprake indien de winst van dit jaar niet meer bedraagt dan € 7.500 danwel dat de winst van dit jaar plus de vier voorafgaande jaren niet meer bedraagt dan € 37.500. Let wel: bij de bepaling van de winst mogen fictieve kosten in mindering worden gebracht. Dit zijn de (minimum)loonkosten van de vrijwilligers!

Omzetbelasting
Voor de omzetbelasting (en dus ook stichtingen) is belastingplichtig: een ieder die zelfstandig een bedrijf (of beroep) uitoefent. Het begrip van uiteen in drie delen, welke hierna worden behandeld.
Het begrip ‘ieder' omvat vrijwel alles: natuurlijk personen, rechtspersonen en alle samenwerkingsverbanden die in economisch verkeer als entiteit optreden. Stichtingen zijn rechtspersonen, dus deze vallen onder ‘ieder'.
‘Zelfstandig' sluit uit dat de loontrekkende en andere personen die een arbeidsovereenkomst hebben of ondergeschikt zijn iemand anders in aanmerking zouden komen voor belastingplicht. Men moet echt eigen baas zijn, om het zo maar te zeggen. Er zijn verschillende factoren waarmee bepaald kan worden of er sprake is van zelfstandigheid; denk bijv. aan de werkomstandigheden, wijze van instructies, duur van de relatie, aard van de werkzaamheden, optreden tov derden, aantal opdrachtgevers etc. etc.

Het begrip ‘bedrijf' wordt omschreven als volgt: organisatie van arbeid en kapitaal die erop is gericht om in een duurzaam streven door deelneming aan het economisch verkeer behoeften te bevredigen.
Aan het vereiste van ‘een organisatie van kapitaal en arbeid' wordt snel voldaan, aangezien hieraan geen eisen worden gesteld.
Het begrip duurzaam streven houdt in dat er geregeld aan het economisch verkeer moet worden deelgenomen. De duur van het deelnemen an sich is niet van belang, van belang is dat er een streven is om duurzaam deel te nemen.
Van ‘deelname aan het economisch verkeer' is sprake als de activiteiten een economisch aspect hebben. Dat wil zeggen dat de ondernemer activiteiten verricht die een economisch aspect hebben.

Successierecht
Stichtingen kunnen ook vrijgesteld zijn van schenkings- en successierecht. Om dit te bewerkstelligen is het nodig dat de stichting een "algemeen nut beogende instelling" is, kortweg: ANBI. Om hiervoor in aanmerking te komen dient een stichting aan de onderstaande eisen te voldoen. Wordt aan deze eisen voldaan, dan dient de stichting een verzoek in te dienen bij de Belastingdienst om als ANBI aangemerkt te worden.
De eisen zijn het volgende:

  • De instelling heeft geen winstoogmerk. Het incidenteel behalen van een exploitatieoverschot dat wordt aangewend ten behoeve van de doelstelling van de instelling, wordt door de fiscus niet gezien als een winstoogmerk;
  • De instelling dient het algemeen belang;
  • Een natuurlijk persoon noch een rechtspersoon mag kunnen beschikken over het vermogen van de instelling als ware het zijn eigen vermogen. Voor steunstichtingen kan de fiscus een uitzondering maken, al dan niet onder voorwaarden. De eis dat natuurlijke personen niet kunnen beschikken over het vermogen van de instelling als ware het hun eigen vermogen, wordt door de fiscus in de huidige praktijk al vormgegeven door het vereiste van minimaal drie van elkaar onafhankelijke bestuursleden;
  • De stichting mag niet méér vermogen aanhouden dan nodig is;
  • De leden van het orgaan van de instelling dat beleidsbepalend is, mogen voor hun werkzaamheden geen andere vergoeding ontvangen dan een vergoeding voor gemaakte onkosten en een vacatiegeld dat niet bovenmatig is;
  • De instelling beschikt over een actueel beleidsplan dat inzicht geeft in de door de instelling te verrichten werkzaamheden, de wijze van werving van gelden, het beheer van het vermogen van de instelling en de besteding daarvan;
  • De kosten van werving van gelden en de beheerkosten van de instelling staan in een redelijke verhouding tot de bestedingen ten behoeve van het doel van de instelling;
  • Uit de regelgeving van de instelling blijkt dat bij opheffing van de instelling een batig liquidatiesaldo wordt besteed ten behoeve van een andere nuttige instelling of dat er op een andere wijze het algemeen belang mee wordt gediend;
  • Er zijn voorschriften voor de inrichting van de administratie van de instelling.